Bijen en Vlinders


Vlinders vliegen als de zon schijnt. Op een bewolkte dag zie je ze niet! Ze voeden zich met nectar die ze met hun roltong, de proboscis, uit sterk geurende bloemen zuigen. Veel “vlinderbloemen” hebben strepen of vlekjes op hun bloemblaadjes, die de vlinder naar de nectar moeten leiden.

Bijen verzamelen nectar en tegelijkertijd stuifmeel. Honingbijen en hommels hebben lange tongen om de nectar uit de diepe bloemkronen te zuigen. Als je er een ziet, moet je eens opletten welke bloemen hij bezoekt. Honingbijen hebben brede en harige achterpoten. Aan de vele geveerde haartjes nemen ze stuifmeel mee. Soms zien ze helemaal geel van het stuifmeel! Met het stuifmeel voeden ze hun larven in de korf.

Het leven van een vlinder

Veel vlinders leggen hun eitjes vroeg in de zomer. Ze zoeken daar een plant voor uit waar de rupsen straks van zullen kunnen eten. De vrouwtjesvlinders kunnen met hun pootjes “proeven” of ze de goede voedselplant te pakken hebben. Na twee of drie weken komen de rupsen uit. Ze doen niks anders dan eten, dus ze worden snel dikker. Jammer genoeg zit er geen rek in hun velletje! Als de rups groter wordt, scheurt zijn huid, maar een nieuwe, ruimere “jas” zit er al onder. Bij sommige rupsen gebeurd dit wel 9 keer!

Na een maand is de rups volgroeid. Hij stopt met eten. Hij gaat op zijn kop aan de voedselplant hangen, spint een zijdedraad om niet om te vallen, en gaat verpoppen: zijn lijfje wordt klein en rimpelig, de huid splijt en zijn glanzende pophuid komt er uit. Binnen in de pop ontstaat de vlinder. Deze verandering heet “metamorfose”. Een paar weken later barst de pop open: daar verschijnt het vlinderhoofdje. Hij vouwt zijn verkreukelde vleugels uit. Als ze droog zijn vliegt hij weg.